De HuisMeester

Bureau MaRiT 6

PROLOOG

De HuisMeester kende vele gedaanten.
Dat was zijn uitdaging. Het was een bijna onmogelijke opgave om hem zomaar te overmeesteren, maar het moest gebeuren. Er moest een strategie aan te pas komen.
Op zijn hoede liep de man naar de balustrade, waar hij een goed overzicht had op het bizarre decor waarin hij zich bevond. In de eindeloze ruimte kon iemand als hij gemakkelijk zijn doel uit het oog verliezen. Alles in deze omgeving was intens.
Zijn blik verplaatste zich omhoog naar een opvallende kroonluchter, schitterend als een onbereikbare ster, zwevend in een enorme doorzichtige koepel waarin alleen de draagbalken zichtbaar waren. Ramen en buitenmuren leken te ontbreken, maar zolang hij hier was, kon hij de buitenlucht niet vrijelijk inademen. Een dreigende lucht leek de duizenden flikkerende lampjes te overschaduwen.
Hij had zich in een sprookje kunnen wanen als de sfeer niet zo beklemmend was geweest. Menselijke gedaanten wandelden ongedwongen langs hem heen, een schijnglimlach op hun gezicht, fluisterend tegen zichzelf of tegen een willekeurig iemand. Als gevangene van een denkbeeldige wereld leek hij één van hen, maar hij wist wel beter. Eén moment van onoplettendheid en hij zou het met de dood moeten bekopen.
Een onrustig gevoel bekroop hem, een gemoedstoestand waar hij maar al te goed bekend mee was. Zijn grens was bijna bereikt.
Ongeduldig ging hij rechtop zitten om het gevoel van zich af te schudden. In een normale wereld zou hij zich kunnen afreageren op de boksbal in zijn kamer, het zoveelste exemplaar, en ook deze was inmiddels aan vervanging toe. Nu moest hij doorgaan en vooral rustig blijven, want in dit spel was geen ruimte voor emoties.
Het zou nu niet lang meer duren.
Zonder acht op hem te slaan liep de stroom van aanwezigen langs hem heen, het ene moment vrolijk lachend – alsof er werkelijk iets te lachen viel in deze vreemde, vijandige omgeving – dan ineens onheilspellend, zwijgend. Het was een bont gezelschap van beruchte psychopaten, de lijst uit een ver en minder ver verleden was lang.
Peter Sutcliffe bijvoorbeeld, bijgenaamd de Yorkshire Ripper of Jack de Ripper, wiens identiteit tot voor kort onbekend was geweest, het echtpaar West, volgens hun buren een doodnormaal gezin en Dokter Harold Frederick Shipman, 'Fred' voor zijn vrienden, maar door insiders ook wel 'dr. Death' genoemd. Shipman was aan het begin van deze eeuw berecht voor de moord op vijftien mensen, hoewel het vermoeden bestond dat het werkelijke aantal dichter bij een onrustbarende tweehonderdvijftien lag.
Even stokte zijn adem toen de man hem rakelings passeerde en hem in het voorbijgaan vriendelijk toeknikte, ondertussen een oudere dame ondersteunend. Zijn beruchte injectiespuit lag losjes in zijn rechterhand.
Er voer een huivering door zijn lichaam, terwijl hij de dokter nauwlettend in de gaten hield tot deze uit het zicht verdwenen was. Gelukkig voelde hij zich goed zodat de arts nog geen gevaar voor hem vormde, maar als hij gewond zou zijn, hoopte hij hem niet tegen te komen. Maar ook dat was hier niet vanzelfsprekend.
Tot het moment dat hij een maand geleden een boek van de bibliotheek had geleend over notoire moordenaars, zou hij de meesten van hen niet herkend hebben. Nu was hij voorbereid. Zijn geoefend oog viel op een knappe, donkere jongeman die zich beheerst door de mensenmassa bewoog. Hij dacht dat het Jeffrey Dahmer was, een psychopaat met kannibalistische trekjes. Eind vorige eeuw had hij vijftien jongeren vermoord, daarna verkracht en tot afschuw van menigeen geconsumeerd, een gegeven waarvan zijn gesprekspartner niets scheen te weten. Voelde hij even Dahmers wellustige blik op zich gericht of had hij alleen maar aandacht voor zijn metgezel?
Hoewel er die avond veel zielsverwanten rondliepen, voelde hij zich geen moment veilig. Hopelijk bleef hij voorlopig buiten beeld. Hoewel het zijn kans op succes verkleinde, zou hij zich meer op zijn gemak voelen als zijn twee vrienden bij hem waren. Het waren geen echte vrienden, het waren bondgenoten die elk hun eigen doel najaagden, maar samen stonden ze sterk. Tenminste zolang als het duurde. Er kon er maar één de winnaar zijn.
Op deze vreemde plek waren zijn gevoelens niet van echt te onderscheiden en dat maakte de beleving van het spel zo angstaanjagend. Het was bekend dat het niet geschikt was voor mensen met een zwakke gezondheid, maar zelfs hardcore-gamers zoals hij liepen bepaalde risico's.
Vanuit zijn ooghoek zag hij John Watson op hem afstevenen, op de voet gevolgd door zijn broer Mycroft. Eindelijk versterking, tenminste als het geen dubbelgangers waren. Alles was mogelijk in deze omgeving.
Aarzelend deed hij een stap in hun richting, toen een vriendelijk ogend echtpaar hem rakelings passeerde. In het voorbijgaan lachte de vrouw een vreemde lach, terwijl ze hem een frivole knipoog gaf.
Geschrokken deinsde hij achteruit. Hoe kon hij hen over het hoofd hebben gezien? Ook hen herkende hij van de foto’s uit het boek. Het was het echtpaar Fred en Rosemary West, schuldig bevonden aan het misbruiken en vermoorden van twaalf jonge vrouwen. Monsters die eruit zagen als doodgewone mensen. Freds terloopse oogopslag stond op zijn netvlies gebrand. Vaalblauwe ogen die een duistere ziel weerspiegelden die hongerde naar sadisme en dood. Het Britse echtpaar had de meisjes opgewacht op het station en hen naar hun huis gelokt door hen een lift aan te bieden. Een lift naar de dood.
Hij viel niet in hun doelgroep, maar niemand was te vertrouwen. Misschien kon hun sadistische honger inmiddels ook gestild worden met jonge mannen? Ook zijn vrienden waren op hun hoede en hadden hun wapen getrokken, maar het echtpaar had geen aandacht aan hen besteed.
Juist toen hij John en Mycroft wilde begroeten, leek het decor te veranderen, zoals hier wel vaker gebeurde. Een plots opkomende mist slokte hen op en absorbeerde alle geluiden. In de doodse stilte leek hij alleen te zijn, alleen in een vijandige wereld.
Hij rilde. Zijn ouderwetse kleding zat niet langer comfortabel en schuurde over zijn huid. Zou Sherlock Holmes zich ook zo gevoeld hebben of besteedde zijn meesterbrein geen aandacht aan dit soort banale zaken?
Een plotselinge beweging deed hem op zijn hoede zijn. Speelde zijn verbeelding een spelletje met hem of bevond er zich iemand in zijn directe omgeving?
Zijn vrienden durfde hij niet te roepen uit angst zichzelf te verraden. Gespannen veegde hij het zweet van zijn voorhoofd, zich verbeten concentrerend op de grijze mist om hem heen. Hij had zijn personage niet voor niets uitgekozen, hij moest zijn talenten benutten.
Een plotselinge klap tegen zijn schouder maakte een eind aan zijn onzekerheid en hij verweerde zich met een uithaal van zijn vlijmscherpe mes.
Het scheelde maar een haartje. Met een lenige beweging ontweek de gestalte zijn dodelijke uithaal, waarna hij weer werd opgeslokt door de dichte mist. Een huiveringwekkende lach sneed als een mes door zijn ziel, hoog en hysterisch. De lach van een waanzinnige.
Met een van pijn vertrokken gezicht streek hij over zijn gekneusde schouder. Dat was nog zoiets. De pijnbeleving in HuisMeester was niet van echt te onderscheiden, dat maakte het zo uniek. Het was beangstigend en verslavend tegelijk.
Hij had geluk gehad, maar het was nog niet voorbij. Wie kon het zijn? Was het één van zijn zogenaamde vrienden die een grap met hem uithaalde of verkeerde hij in levensgevaar? De bedrieglijke stilte maakte hem gek. Was hij nu maar een seconde sneller geweest, dan had hij het misschien geweten.
Als een gewond dier bewoog hij zich door de dikke mist, ervoor wakend enig geluid te maken, uit angst dat hij het er dit keer niet zo goed vanaf zou brengen. Het gevaar lag overal op de loer. Voor hem was het niet zomaar een spel, voor hem was het bittere ernst. In dit spel was geen plaats voor verliezers.
Zwaar ademend zocht hij de omgeving af, zich bewust van elk geluid dat hem kon verraden. Ook zijn tegenstanders waren niet onfeilbaar en bevonden zich in dezelfde positie als hij.
Een verwrongen lach doorbrak de indringende stilte. Het leek een hoge vrouwenlach, hoewel hij er bijna zeker van was dat hij zojuist door een man was aangevallen. Zijn belager was nog in de buurt.
De kilte van de mist kon niet verhinderen dat het klamme zweet hem uitbrak. Was het de HuisMeester, degene om wie alles draaide in dit spel?
De gedachte schudde hij snel van zich af. Waarom zou de HuisMeester zulke risico's nemen als anonimiteit juist zijn kracht was. Bovendien was hij niet gewelddadig. Maar wie was het dan wel?
Even overviel hem een gevoel van machteloosheid, dat hij boos van zich afschudde. Dat was de sfeer in het spel. Het kon je psychisch en lichamelijk verlammen. Maar hij mocht het niet laten gebeuren…
Gespannen sloop hij verder, zijn hand om het wapen geklemd. Het scherpe lemmet glansde als een lichtpunt in de dichte mist. Wat begonnen was als een spannende game leek nu te zijn veranderd in een spel van leven op dood. Een confrontatie was onvermijdelijk, dat had zijn belager hem wel te kennen gegeven.
Met moeite kon hij zijn opkomende woede bedwingen. Boosheid was een vorm van zwakte. Hij moest zich concentreren. Ging hij op het geluid af met het risico zichzelf bloot te geven of wachtte hij af, klaar om toe te slaan als het gevaar zich aandiende?
Op dat moment wist hij helemaal niets meer, alleen dat hij vastberaden was om zijn doel te bereiken. Zouden zijn metgezellen hem nog te hulp schieten als hij hen riep of leverden ze hun eigen strijd? Hun vluchtige kennismaking was oppervlakkig, berustend op een toevallige ontmoeting tussen gelijkgestemde zielen, allen met hetzelfde doel voor ogen. Door samenwerking stonden ze sterk. Maar nu stond hij er alleen voor.
Vanuit het niets doorboorde het vlijmscherpe wapen genadeloos zijn hart, zijn adem stokte. Bevreemd staarde hij naar zijn tegenstander. Hallucineerde hij?
Als in slowmotion leek alles om hem heen te vervagen, zelfs die afgrijselijke lach leek van ver te komen. Even voer er een schok van herkenning door hem heen. Hoe kon hij zo stom zijn geweest? De vaalblauwe ogen kenden geen genade en achtervolgden hem tot in de dood, kil en wellustig.
Een enorme woede maakte zich van hem meester.