De Mysterieuze Inbraken

Bureau MaRiT 3

PROLOOG

Ze lag te woelen in haar bed en voelde hoe het dekbed van haar afgleed. In haar slaap tastte zij ernaar, maar ze greep in een eindeloos niets. Het was stil om haar heen, doodstil. Traag opende ze haar ogen en keek verwonderd om zich heen, het dekbed zag zij niet. Slaapdronken stond ze op en liep in een roes naar de woonkamer. De verbindingsdeur met het kantoor stond open, zoals die ’s nachts altijd openstond, maar toch klopte er iets niet. Plotseling hoorde ze een zacht, knerpend geluid dat uit het stille vertrek leek te komen. Ze liep langzaam het kantoor binnen en tuurde in het duister om zich heen, alles leek normaal, of toch niet?
Weer klonk dat knerpende geluid, haar adem stokte in haar keel. Haar blik werd naar de buitendeur getrokken en zij liep er langzaam naartoe. Toen zag ze het, onopvallend, alsof de deurhendel altijd iets gebogen stond. Ongelovig kneep ze haar ogen dicht om uit de bizarre droom te ontwaken, maar toen ze haar ogen opende stond ze nog steeds in het donkere vertrek, starend naar de scheve deurgreep. Er was daar iemand, iemand die vanuit het trappenhuis haar huis probeerde binnen te dringen.
Verstijfd van schrik stond ze daar maar. Zij wilde wegsnellen om haar pistool te pakken of haar telefoon, maar het leek of haar geest de macht over haar lichaam was kwijtgeraakt. Angstzweet brak haar uit, ze kon alleen maar wachten, wachten op wat komen ging.
De deur kraakte zachtjes bij het opengaan, tergend langzaam alsof er opzet in het spel was. Toen verscheen er een hand om de deuropening die zwart was en behaard. Met afgrijzen staarde zij ernaar en wilde de deur hard dichtslaan om de eigenaar van die griezelige hand voorgoed buiten te sluiten, maar ze was niet in staat om haar armen te bewegen.
Hulpeloos moest zij toekijken hoe de deur zich verder opende, langzaam maar onvermijdelijk, en de indringer haar zou ontdekken, een gemakkelijke prooi voor zijn brute, angstaanjagende aanwezigheid.
Woedend op haar eigen machteloosheid, en zich tegelijkertijd verwonderend over de lijdzame acceptatie van haar eigen lot, wachtte ze af. Het zou eindigen, hier en nu, er was geen weg terug, nu niet meer, zij had haar kansen verspeeld. Haar ogen sloten zich en zij voelde hoe haar hals omklemd werd door een vreemde, loodzware greep, zij hapte naar adem.
Wanhopig greep ze om zich heen en voelde plotseling hoe de druk wegviel. Er schuurde iets nats tegen haar gezicht. Toen ze haar ogen verwonderd opende, keek ze in twee grote, zwarte, kogelronde ogen die haar nietszeggend aanstaarden. Het wezen opende zijn bek, zij herkende hem. Langzaam drong de waarheid tot haar door.
Het was slechts een illusie geweest, een angstaanjagende, dwaze illusie.