De Zwarte Weduwe

Bureau MaRiT 2

PROLOOG

De lucht zag dreigend donkergrijs boven het Haringvliet. Er was die ochtend slecht weer voorspeld. Maar zij dacht dat het wel mee zou vallen, dus had hij toch besloten om de geplande zeiltocht door te laten gaan. Het was echter geen loos alarm geweest. Zijn angstige voorgevoel werd bewaarheid, maar toen waren ze al te ver van de veilige oever verwijderd. Het noodweer trof hen als een donderslag bij heldere hemel en de plotseling aangetrokken wind liet de zeilen van de moderne zeilboot wild zwaaien als in een extatische salsadans. Onstuimige golven beukten hard tegen de romp en leken de boot te willen doen kapseizen.

Vreemd genoeg toonde de vrouw geen enkel teken van paniek. Uiterlijk onbewogen handelde ze alsof de storm slechts een ongemak was waar ze al vaker mee had gekampt. Alsof zij en haar bejaarde echtgenoot de macht over de zeilboot niet compleet verloren waren, maar tijdelijk een andere koers voeren in een willekeurige richting.
Haar man leek echter een andere mening toegedaan. Wanhopig vocht hij tegen het natuurgeweld, maar moest telkens het onderspit delven. Zweet parelde van zijn voorhoofd en zijn gespannen, lijkwitte gezicht vertoonde trekjes van vermoeidheid. Soms moest hij zich vastgrijpen aan de reling omdat hij moeite had zijn evenwicht te bewaren en omdat het dek glad geworden was van de regen en de overslaande golven.
Vertwijfeld riep hij haar, maar de vrouw scheen hem door de harde wind niet te horen. Ze leek ook geen belangstelling voor hem te tonen, maar staarde met een nietszeggende blik over de onstuimige golven, met haar handen de deurpost van de kajuit omklemmend. Het was alsof zij in een blinde roes verkeerde, onwetend van het gevaar waarin ze zich bevonden, ervan uitgaand dat het vanzelf zou overwaaien.
Weer riep hij haar, maar nog steeds scheen ze in gedachten verzonken. Geruisloos verdween ze in het vooronder, zonder zelfs maar een blik op hem te werpen, alsof de wind haar doof maakte voor zijn smeekbeden.
Verbeten draaide de man aan het roer, maar hij vond niet de kracht om de boot op koers te houden. Hij voelde zich draaierig worden, misselijk ook, en het leek of alle kracht langzaam uit hem wegtrok.
Het was vreemd, maar zo voelde hij zich de laatste tijd wel meer. Hij had zijn leeftijd er de schuld van gegeven. Hij was tenslotte de zeventig al gepasseerd, terwijl zijn vrouw zesendertig jaar jonger was. Hij kon het haar ook niet kwalijk nemen. Zij had nog de soepelheid van haar jeugd en het vertrouwen dat het allemaal wel goed zou komen. Zij wel.
Hij had ook geen biertje moeten nemen, terwijl hij wist dat hij er de laatste tijd minder goed tegen kon. Op dat moment had hij nota bene nog een opmerking over de dreigende lucht tegen haar gemaakt. Hij had beter moeten weten. Onder geen beding mocht hij nu het roer loslaten. Zo kon hij zichzelf nog wijsmaken de boot onder controle te hebben. Hij klampte zich grimmig vast aan dat laatste sprankje hoop.
Een felle windstoot bracht hem uit balans. Struikelend over zijn eigen benen deed hij verwoede pogingen om zich vast te grijpen aan de reling. Te laat besefte hij dat hij een noodlottige beslissing had genomen en dat hij naar stuurboord had moeten wijken in plaats van naar bakboord, waar de boot het meest overhelde. Vanaf dat moment leek het alsof de gebeurtenissen zich vertraagd afspeelden, zonder dat hij er invloed op kon uitoefenen.
Terwijl hij verbluft met zijn armen en benen in het luchtledige maaide, voelde hij hoe zijn lichaam langzaam over de reling werd geschoven. Het was te laat. Hij vond geen grip meer en gleed verder, met zijn hoofd vooruit in een vreemde buiteling. In zijn val raakte hij de boot.
Toen werd het donker, aardedonker, en werd hij meedogenloos opgeslokt door de wilde golven.
Het water triomfeerde.