Een Hete Dood

Bureau MaRiT 4

PROLOOG

Het was warm en hij knipperde met zijn ogen. Het zweet van zijn voorhoofd druppelde in kleine straaltjes over zijn gezicht, langs zijn gesloten oogleden naar zijn nek, over zijn schouders rakelings langs zijn borst en over zijn buik, om tussen zijn benen te verdwijnen. Het zout van zijn hete lichaamsvocht drong langzaam zijn gesloten ogenleden binnen en hij drukte ze stevig op elkaar. Hij moest nog even doorzetten, het was goed voor hem. De afgelopen tijd was niet gemakkelijk geweest, niet voor hem, maar ook niet voor zijn gezin dat hij telkens moest voorliegen, terwijl de ongelovige blik in hun ogen hem al genoeg vertelde. Tienke geloofde hem misschien, zij was de trouwste van het stel en zij was met hem getrouwd. Bovendien was zij kerkelijk en dacht niet eens aan zulke dingen. Zijn kinderen waren anders. Hun wantrouwende blikken priemden als naalden in zijn rug als hij het huis ontvluchtte, zoekend naar een plaats waar hij zichzelf kon zijn, zoekend naar genegenheid. Niemand zou het begrijpen, ook zijn ouders hadden het nooit begrepen. Hij herinnerde zich zijn jeugd, zijn strenge ouders die geen oog hadden gehad voor het teruggetrokken en stille jongetje dat hij toen was. Zij leefden volgens de starre regels van de kerk, met een vanzelfsprekendheid die geen ruimte bood voor andere gedachten. Hij moest altijd mee. De kinderdiensten had hij leuk gevonden. De prachtige bijbelverhalen en de liedjes die er gezongen werden, waar iedereen vrolijk was en hij langzaam kon wegdromen in zijn eigen wereldje. Later toen hij de kinderdienst was ontgroeid, had hij iedere zondag de preek moeten aanhoren, de veroordeling waardoor hij zich zondig voelde. De moed om het zijn ouders te vertellen, was hem steeds verder in de schoenen gezonken. Zij zouden het niet begrijpen, hoe konden ze ook? Zelf een product van hun strenge opvoeding, wisten zij niet beter dan het voorbeeld van hun ouders te volgen, niet in staat tot eigen gedachten of tot compassie voor andersdenkenden. Misschien hadden zij hem wel de deur gewezen, hem op zijn zestiende koelbloedig op straat gezet, ze waren er toe in staat geweest.
In plaats daarvan had hij geleerd om te gaan met zijn geheim en leefde hij een dubbelleven, in een wereld vol wilde fantasieën. Later toen hij volwassen werd, was hij met een meisje uit de kerk getrouwd, bij wie hij twee kinderen had verwekt. Hoewel hij haar aardig had gevonden, had zij hem lichamelijk niet weten te boeien, zelfs niet die eerste keer tijdens hun huwelijksnacht toen hij zich met een smoesje van haar had afgewend, geschrokken en trachtend zijn afkeer te verbergen. De huwelijkse plicht was hij met de nodige alcohol aangegaan, nog net niet dronken genoeg, in een benevelde gemoedstoestand fantaserend dat zij iemand anders was. Het was bij Elsie en Job gebleven, hij kon het niet meer, en zijn drukke werkzaamheden gaven hem een goed excuus om herhaaldelijke vermoeidheid te veinzen. Ongelukkig als hij was, was hij steeds vaker het huis ontvlucht. Soms wilde hij Tienke toeschreeuwen dat hij niet van haar hield en dat hun huwelijk op een groot misverstand berustte, maar als hij naar de gekrenkte uitdrukking op haar gezicht keek, rimpelig door de vele zorgen, haar vroegtijdig grijzende haar, had hij het niet gekund. Maar wat moest hij dan? Hoewel hij nog wel meeging naar de kerk was hij er niet meer bij met zijn gedachten, en ook dat was niet voor haar verborgen gebleven en had ze lijdzaam geaccepteerd. Wel waren er ruzies. Waarom hij zich niet meer met de kinderen bemoeide die hem zo nodig hadden, vooral zijn zoon die er het meest onder leek te lijden. Waarom was hij nooit thuis en waar was hij dan als hij weer eens een rit met de auto ging maken om de komende uren weg te blijven, weg van zijn gezin, zijn thuis, alles wat hem dierbaar moest zijn. Zij begreep hem niet en hij kon het haar niet vertellen, nog niet...
Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd, met zulke gedachten moest hij het ook wel benauwd krijgen. Hij wilde zich juist ontspannen, zijn geest verruimen, zich verheugen op de tijdelijke vrijheid die in het verschiet lag. Weer liep er een straaltje heet zweet langs zijn gezicht, het deed pijn aan zijn ogen, aan zijn gevoelige tepels, en hij proefde het zout op zijn tong. Het werd tijd om ermee te stoppen, zodat hij zich nog even kon opfrissen en vast een fles wijn kon opentrekken, met het vooruitzicht op een ontspannen samenzijn, een vurige nacht.
Hij deed zijn ogen open en kwam langzaam overeind. Zijn handdoek was doorweekt van het zweet. Was hij de tijd misschien vergeten, zijn horloge lag in het huis. Misschien was hij wel in slaap gevallen en daardoor oververhit geraakt? Wankelend stond hij op en liep naar de deur, deze automatisch open duwend, loom en verhit, verlangend naar de koele buitenlucht. De deur klemde. Werktuiglijk deed hij een nieuwe poging en duwde onbewust harder. Verwonderd fronste hij zijn wenkbrauwen, er was geen beweging in te krijgen? Nogmaals zette hij zich schrap en hield beide handen geklemd om het handvat, terwijl hij met een ruk zijn hele gewicht naar voren gooide. Hij hield er alleen maar pijnlijke handen aan over. Zonder erbij na te denken, deed hij een stap naar achteren en beukte met alle kracht die in hem zat tegen de houten deur. Afgezien van een pijnlijke schouder en een licht gekraak, gebeurde er niets. Het zweet gutste van zijn voorhoofd, van zijn oksels langs zijn brede lijf, maar hij merkte het niet. Door paniek bevangen, keek hij wild om zich heen, terwijl hij ondertussen de zweetdruppels van zijn ogen wreef. Er moest een oplossing zijn, dit was te onzinnig voor woorden.
Krampachtig probeerde hij na te denken, maar zijn gedachten waren troebel. Met zijn droge tong proefde hij zijn mond, zijn opgezwollen keel. Hij moest water hebben, dit was niet langer goed voor zijn gezondheid. Die verzengende hitte. De warmte waarvan hij normaal zo kon genieten, leek nu veranderd te zijn in een bloeddorstige vijand. Hij moest vluchten uit deze nachtmerrie. Lachend om zijn paniekaanval zou hij ontwaken, zijn lichaam volledige ontspannen, om vervolgens rustig onder de ijskoude douche te stappen, die zijn lichaam verkwikte. Daarna zou hij als herboren zijn en samen met Marcel van een gezonde maaltijd genieten met het vooruitzicht op de onbezorgde tijd die voor hen lag. Een pijnscheut trok plotseling door hem heen, zijn tepels leken in brand te staan en hij sloeg zijn armen beschermend voor zijn borst. Het was geen droom, maar een vreselijke werkelijkheid. Als hij niet snel de buitenlucht zou inademen, zou zijn naar verkoeling snakkende lichaam bezwijken. Hij moest iets doen.
Met een laatste krachtsinspanning probeerde hij met zijn voet de deur in te trappen, wat jammerlijk mislukte. Gejaagd veegde hij het zweet van zijn voorhoofd en kreet een verwensing, omdat het zout zijn ogen voor een moment verblindde. Het raampje, dat was het. Met zijn handdoek veegde hij de condens van het glas en duwde er tegenaan. Het was dubbelglas. Ver-dwaasd keek hij om zich heen. Op zijn natte handdoek en een houten thermometer na was er niets waarmee hij ook maar enige schade aan het raampje zou kunnen aanrichten. Koortsachtig bond hij de handdoek om zijn hand en beukte met zijn vuist hard op het glas. Hij kon wel janken, het hielp allemaal niets.
Plotseling werd hij door het beslagen raam een gedaante gewaar, was het Marcel?
Schreeuwend om hulp bonkte hij tegen het glas, terwijl hij met zijn vochtige handdoek het raampje probeerde schoon te vegen. Er stond daar iemand, eindelijk was er hulp gekomen. Terwijl hij moeite deed om zijn pijnlijke ogen open te houden, tuurde hij gefixeerd naar buiten, waar de stille gestalte zich niet leek te verroeren. Was het Marcel, maar waarom deed hij dan niets? Plotseling voer er een schok van herkenning door zijn lichaam. Zou hij gaan hallucineren, was het zo erg met hem gesteld? Nog wilder beukte hij op het raam, zijn handen rood en pijnlijk. Schreeuwend dat hij het was en smekend om hulp. Gespannen stond hij stil, hopend op woorden van troost, op geluiden die zijn bevrijding aankondigden, maar die bleven uit. Wanhopig wierp hij een blik op de thermometer, die onveranderd op 100 graden stond. Niet lang meer en het zou over zijn, zijn lichaam zou oververhit raken en zijn bloed zou gaan koken. Weldra zou het zijn hart bereiken en dan...
Het einde. Kon dit werkelijk het einde van zijn leven betekenen? Of zou zijn geliefde plotseling uit het niets opduiken om hem uit zijn benarde positie te bevrijden. Dan zou er een einde komen aan deze nachtmerrie en zou hij er achteraf om kunnen lachen, zich schamend om zijn paniek en zijn geschreeuw, het bagatelliseren door er flauwe opmerkingen over te maken, in zijn hart opgelucht dat hij was ontsnapt aan de allesverzengende hitte. Nooit meer zou hij een bezoek aan de sauna brengen, niet zolang hij leefde. Weer wreef hij verwoed met zijn handdoek tegen het raampje, maar hij leek de strijd tegen de condens te verliezen. Door de intense hitte in de sauna en de koele avondlucht bleef het glas beslaan.  
Hij gaf de moed niet op, wilde zijn leven niet opgeven, en schreeuwde om hulp, zijn keel voelde droog en pijnlijk. Zonodig moesten ze maar grof ge-weld gebruiken, de deur te lijf gaan met een hakbijl of iets dergelijks. Hij stond er niet eens bij stil waarom de deur niet openging, waarom een deur die nooit klemde ineens een gevangenis bleek, of een dodencel. Zich tot het uiterste concentrerend stond hij daar, zijn geest plotseling helder, terwijl het stil was om hem heen. Waarom hoorde hij niets? Was zijn gehoor het eerste dat zou uitvallen, al snel gevolgd door de andere lichaamsfuncties, net zolang totdat zijn hart aan de beurt was. Waarom gebeurde er niets? Er had toch iemand voor de sauna gestaan of waren zijn hersens ook al aangetast en wist hij realiteit niet meer van fantasie te onderscheiden? Uitgeput zakte hij door zijn knieën op de hete vloer, alles aan hem deed pijn. Langzaam nam de hitte bezit van hem, kalm, troostend, terwijl hij weggleed in een diepe staat van bewusteloosheid. Zijn ogen sloten zich en zijn lichaam zakte verder onderuit in een vreemde hou-ding.
Nog eenmaal keek hij omhoog, moeizaam, zich bespied wanend. Iemand staarde naar hem, het gezicht vreemd vervormd door de condens op het raam. Een vlaag van herkenning flitste door hem heen. Was het een krank-zinnige droom? Niemand wist dat hij hier was, niemand behalve Marcel. Marcel zijn minnaar, die van hem hield om wie hij was. Waarom werd hij dan niet verlost van deze nachtmerrie?
Zijn ademhaling ging steeds moeizamer. Het had geen zin meer. Zijn stervensuur was aangebroken, hij wist het plotseling heel zeker. Nooit had hij gedacht dat het zo zou eindigen, misschien in een bejaardentehuis op hoge leeftijd tussen klaverjassende lotgenoten, maar niet nu. Niet hier, alleen, naakt en van binnen verbrand, ongetwijfeld verguisd als zij hem vonden. Tienke, wat zou zij hiervan denken. Zou zij hem voor altijd haten totdat hij haar uiteindelijk onverschillig liet. Nog even goedgelovig, verontwaardigd misschien, dan beseffend, denkend aan hun relatie, zijn afwezigheid, om dan in woede te vervallen? Had hij spijt? Hij had haar geen pijn willen doen of zijn kinderen... Elsie en Job, bijna vreemden voor hem. Zijn droge ogen leken zich niet meer te kunnen vullen met tranen. Hij had zich van hen verwijderd, geen tijd voor hen genomen, omdat hij het te druk had gehad met zichzelf. Hoe zouden zij zich hem herinneren, een doodgezwegen opa voor zijn kleinkinderen? Wat een puinhoop had hij van zijn leven gemaakt. Waarom had hij niet de juiste beslissing genomen toen het nog kon, dan had hij niemand pijn hoeven te doen behalve misschien zijn ouders. Uitgeput viel zijn hoofd opzij, totdat zijn bewustzijn weggleed in een eindeloos niets.
Het was te laat, te laat voor bekentenissen...