Het Verdwenen Kind

Bureau MaRiT 1 

PROLOOG

Het bericht schokte haar. Op die koude winterse zaterdag werd een driejarig meisje vermist. Het was uitgebreid op het tienuurjournaal die avond. Die namiddag was ze zomaar verdwenen, haar speelgoed zorgeloos achterlatend op de vloer van de woonkamer. 

Haar ouders begrepen het niet. Maaike zou nooit zomaar weglopen. Bovendien was het koud, heel erg koud en het sneeuwde. Zij had haar jasje niet meegenomen en was zo de kou ingelopen, weg van het knusse huis en van haar liefhebbende ouders. Het schemerde al en er was niemand die het meisje gezien had, geen vriendelijke voorbijganger die haar weer thuis had gebracht. Zij moest in paniek zijn geraakt en de weg zijn kwijtgeraakt. Misschien was ze inmiddels door iemand meegenomen om haar op te laten warmen en dan samen naar haar ouders te zoeken. Misschien was ze nu op weg naar het politiebureau met die mensen, omdat ze nog te klein was om zich het adres te herinneren. Dan zou het mysterie snel worden opgelost en hoefden de ouders niet langer in onzekerheid te verkeren. Al snel zouden zij het meisje weer in hun armen kunnen sluiten, haar huilend vertellen dat zij niet zomaar mocht weglopen, haar ondertussen troostend en koesterend.
Maar zover was het nog niet.
Het nieuwsbericht verhaalde van zoekacties door politie en omwonenden, die extra kleding bij zich hadden om het meisje te beschermen tegen de kou, als ze haar hadden gevonden. De foto van Maaike raakte ieders hart. Met twee heldere, blauwe ogen keek ze je vrolijk aan. Blonde krullen omlijstten het fijne gezichtje, het engeltje dat je ook op ansichtkaarten zag, vrolijk lachend, vol vertrouwen en een tikkeltje ondeugend.
Marit zette de televisie uit terwijl ze in gedachten haar wenkbrauwen fronste. Het meisje was inmiddels al meer dan vijf uur vermist en nog niemand had haar gezien. Er was ook geen kleding van haar gevonden, geen sporen, niets. De sneeuw had alle voetsporen uitgewist, alle tekenen van leven doen verdwijnen. Marit vreesde het ergste. Hoe kon zo'n meisje zomaar de kou inlopen, zonder jasje, zonder handschoentjes of wollen muts op haar blonde krullenbol? En waarom hadden haar ouders haar verdwijning pas zo laat opgemerkt? Hoe kon een driejarig meisje trouwens zomaar naar buiten lopen? De deur was niet op slot geweest en blijkbaar had ze al schoentjes aan gehad.
Vreemd dat daar niets over bericht werd.
Met alleen maar sokjes aan haar voeten was ze na enkele passen in de koude sneeuw verschrikt het huis weer ingelopen. Had zij haar schoenen dan zelf aangetrokken, waren meisjes van drie jaar al zo zelfstandig? Er werd niets bericht over het feit dat de ouders plannen hadden om weg te gaan; dan zou Maaike al aangekleed zijn, maar dan zou de verdwijning van de kleine meid al snel zijn opgemerkt.
Marit zuchtte diep. Zij hoopte dat het meisje snel gevonden zou worden, zodat de bange ouders een hoop leed werd bespaard. Het was nog mogelijk dat een toevallige voorbijganger haar had gevonden en met de verkleumde peuter onderweg was naar het politiebureau. Het was mogelijk, maar niet voor lang meer. Hoe langer het meisje vermist werd, hoe onzekerder haar lot. Kon er dan nog sprake zijn van een toevallige voorbijganger of begon de zoektocht serieuzer, grimmiger te worden, terwijl de gedachte aan een misdrijf of ernstig ongeval zich langzaam aan de ouders opdrong. Een ware nachtmerrie.
Waar haalden ouders de kracht vandaan om hiermee om te gaan, ouders die verantwoordelijk waren voor het welzijn van hun kind. Ze moesten wel, hopend dat ze hun kind levend terug zouden vinden, hopend op dat wonder.
Een wonder in een vijandige wereld, bestond dat nog?
Marit hoopte het met heel haar hart.